De laatste dagen


“Ach ja, die laatste dagen met je moeder kunnen doorbrengen, dat is  zo waardevol”

Ik ervaar ze niet als waardevol. Ik vind de hele situatie waardeloos. Voor het eerst in 50 jaar hebben mijn moeder en ik elkaar weinig meer te melden. De stiltes wegen zwaar en drukken de toch al zo bedrukte stemming. Ze heeft er geen zin meer in. De lange weken in het ziekenhuis hebben hun tol geëist.

Ze is moe. Ik kijk opzij terwijl ik een luchtig onderwerp probeer. Ze ligt op de bank in haar geriefelijke hospicekamer met haar ogen dicht. Een wassen beeld. De gedachte dat ze zo wellicht binnenkort in een houten kist zal liggen dringt zich aan me op. Een verlossende klop op de deur, het hoge piepje van het elektronische slot en de deur zwaait open. Een vrijwilliger komt vragen wat mijn moeder voor lunch wil. Meteen is de kleur terug in haar gezicht. Haar ogen sprankelen weer en ze veert opgewekt overeind. Wat mij niet meer lukt, krijgen vreemden wel voor elkaar. Ik voel me hopeloos tekort schieten. Als de vrijwilliger de kamer weer heeft verlaten, legt ze een hand op mijn been. “Ga toch lekker naar huis”, zegt ze.
Ik neem afscheid – voor de zoveelste keer in de afgelopen weken – als altijd met gemengde gevoelens. “Ik zie je morgen”, zeg ik.
Ku Dios ke“, zegt ze: “Als God het wil”.
Love you“, zeg ik nog en blaas haar een handkus toe voor ik de gang op loop – ik meen ’t en morgen krijg ik die kans misschien niet meer.

Hartzeer

In het ziekenhuis nam ik al minstens drie keer echt afscheid van haar. Met veel tranen. En een verscheurd hart. Maar steeds kwam ze terug – tegen wil en dank. “Het is gelukt”, zei een arts verheugd, “we hebben een ritme”, nadat ze “geschokt” was. Ik wist werkelijk niet of ik daar blij mee moest zijn. “En nu?” vroeg ik. “Nu gaan we weer verder met de medicatie”. Triomfantelijk. En dat arme oude, beschadigde hart maar kloppen. Was het maar gestopt. Dan hadden ze haar tenminste niet mogen reanimeren – volgens haar wens, vastgelegd in het computersysteem van het ziekenhuis.

Eén keer maakten ze haar wakker toen ze “op de afdeling” lag. Diep in slaap. Dat had ze kunnen blijven, als haar hartmonitor niet had verraden dat haar hartslag weer veel te hoog was. “Ze stonden ineens met z’n drieën naast m’n bed”, zei ze. Hup, weer terug naar de hartbewaking. Weer terug aan de slangetjes en draadjes.
“Laat me volgende keer maar gewoon gaan hoor”, zei ze tegen de verpleegkundige.
“Nee, dat doen we natuurlijk niet,” was het antwoord, “er is gewoon medicatie voor.”

De laatste dagen - #diemetdiekrullenRevalidatie

Even werd er gesproken over revalidatie. Haar plek op een geschikte locatie was al besproken. Naar huis wilde ze niet meer: “Dan gaat het toch weer mis”. In de week dat ze thuis was miste ze de zorg en aandacht die ze in het ziekenhuis kreeg. Mijn mantelzorg was niet toereikend – ik kon niet de hele dag bij haar zijn en ik ben niet medisch geschoold. Het ging mis. Ze hield vocht vast en werd steeds benauwder. Tot ze de huisartsenpost belde en de vervangende huisarts haar weer met een ambulance naar het ziekenhuis liet afvoeren. Via de spoedeisende hulp – waar ze haar tevergeefs lek prikten en er een ouderwetse “1.0 bloeddrukmeter aan te pas moest komen om haar waardes uit te lezen – weer naar de hartbewaking.
En nu bleek haar nierfunctie te zeer verstoord om aan revalidatie te beginnen.
“Zo kan ik u niet laten gaan. Dat kan ik niet verantwoorden”, zei de jonge co-assistent, “we houden u nog even hier”. Ze vroeg zich af waar het allemaal heen moest. Had ze nog een toekomstperspectief? Want: “Zo hoeft ’t voor mij niet meer”. En geen wonder. Binnen ruim twee maanden was mijn fitte, zelfstandige 82-jarige moeder die dagelijks twee trappen liep en zelf ‘r eigen boodschappen nog deed ineens hulpbehoevend. Ik vroeg een gesprek aan met de arts. Het was tijd voor duidelijke taal.

Het oude paard

Het viel hem duidelijk niet gemakkelijk, de jonge cardioloog. Geen wonder, met drie paar bebrilde ogen intens op hem gericht en gespannen verwachtingen in de lucht. De co-assistente keek ernstig.
“Nou,” begon de cardioloog, “dit is de situatie.”
Hij begon, zoals zovelen voor hem, met de geschiedenis. Mam was in het ziekenhuis opgenomen na een zwaar hartinfarct, dat ze een week eerder haast ongemerkt had doorstaan. Na de hartkatheterisatie, waar in eerste instantie van was afgezien om het beschadigde hart te sparen, was duidelijk geworden dat er een ader helemaal dicht zat, maar daar was niets (meer) aan te doen. De pompfunctie van het hart was verstoord en lag rond de 50%.
De cardioloog vergeleek het hart met een paard dat met een veel te zware last een heuvel op moest lopen. “We kunnen het paard vervangen”, legde hij uit, “maar dat is niet echt een optie. We kunnen het paard aanjagen zodat het de heuvel op komt, in de hoop op vlakker land – dat hebben we op de hartbewaking geprobeerd met medicatie voor het hartritme. We kunnen de last verminderen – dat hebben we geprobeerd met de pomp om de nieren beter te laten functioneren. Daar zijn we nu.”
Maar de pomp en de dagelijks vastgestelde vochtinname hadden niet het gewenste effect. Er ging méér vocht in dan eruit kwam terwijl mijn moeders benen steeds dikker werden en ze het weer benauwder kreeg. Ze hield weer vocht vast, net als in die week thuis. De balans werkte niet meer. Vooruitzichten waren er niet – behalve steeds heen en weer van de afdeling naar de hartbewaking en terug.
“Dat wil ik niet meer”, zei mijn moeder. En nam – heel dapper – het besluit de behandeling te stoppen. De cardioloog legde de consequenties en de vervolgstappen uit en liet ons alleen. Samen huilden we: mijn moeder, mijn tante en ik.
“Ik wil naar Bosch en Duin”, zei ze – het woonzorgcentrum waar mijn vader zijn laatste jaren had doorgebracht beschikte ook over een hospice. Ik schoot weer in mijn regelmodus en vroeg om contact met de transferverpleegkundige die dat kon regelen. Ze kon dezelfde week nog terecht. Omdat ze zo’n afkeer had gekregen van ambulances reed ik haar zelf naar haar laatste verblijf. Vroeg haar of ze nog langs het huis wilde, even de stad in misschien. For old times’ sake. Maar daar had ze geen behoefte aan.

De laatste dagen #diemetdiekrullenHospice

Nu zit ze dan in het hospice sinds begin december 2017 te wachten op de dood, omringd door alle comfort. Ik krijg verlanglijstjes en doe haar was. “Ik begin het goed zat te worden hier”, zegt ze en vertelt dat ze iedere dag teleurgesteld wakker wordt. Ze wil hier niet meer zijn, is voortdurend moe. “Dit is geen kwaliteit van leven”, zegt ze. En vraagt zich af hoe lang het nog moet duren voor ze voorgoed mag slapen.

Het is ook niet eerlijk. Ze was met haar 82 jaar nog zó goed. Liep de twee trappen in huis met gemak, deed zelf haar boodschappen – samen met haar zus – en haar huishouden. Hooguit eens per jaar kreeg ze een beetje last van de griep, ondanks de griepprik die ze altijd braaf haalde. Daar dacht ze nu ook weer aan.  Het duurde wel erg lang, deze keer. En ze knapte niet op. Bloedonderzoek wees uit dat ze een hartinfarct had gehad. En met dat ene telefoontje, op 2 november 2017, begon het hele medische circus. Reed ik met tante naast me ineens achter een ambulance aan. Het zou niet de laatste keer zijn. Sinds die dag heb ik mijn moeder drie keer in een ambulance zien verdwijnen. “Hobbelige dingen”, vond ze. Daar weet ik inderdaad zelf ook wat van.

Lamgelegd leven

Mijn eigen leven – wat er nog van over is – ligt praktisch lam. Echtgenoot zorgt voor het thuisfront: onze hond, toch nog een beetje Kerstsfeer in huis, boodschappen, eten en drinken. Ik probeer iedere dag even langs te gaan, maar soms gaat het echt niet. Ik moet ook de puinhopen van ons eigen leven weer zien op te bouwen en kan me niet in tienen verdelen. Mijn smartphone ligt binnen handbereik, oplader altijd bij de hand.
Ook ik ben moe. Uitgeput. In de spiegel zie ik een wassen beeld. Ik herken mezelf niet meer. Mijn moeder – mijn beste vriendin – sterft en ik sterf iedere dag ook een beetje. Op sommige dagen trek ik het even niet meer, voel ik me gesloopt. In een SMS’je (van de telefoon schrikt ze) vraag ik dan om een “dagje vrij”, voel me die dag vervolgens schuldig en laat mijn smartphone niet uit het zicht.

Dagen, weken, maanden

De laatste dagen zijn weken geworden. De weken zijn maanden geworden. De Kerst is gekomen en gegaan en een nieuw jaar is aangebroken. En mijn moeder is er nog – tegen wil en dank. “Straks haal je je verjaardag nog”, zeg ik. “Alsjeblieft niet”, is het repliek. De ene dag is ze opgewekt, de andere dag terneergeslagen. Ze eet als een vogeltje. Iets vloeibaars en bij voorkeur fris. De vrijwilligers in de “huiskamer” van het hospice zetten zich iedere dag in om een lekkere en verantwoorde maaltijd te kunnen aanbieden, maar mijn moeder dineert met soep. Eén van de vrijwilligers verwent haar wekelijks met verse appelmoes. En ze wordt wel vrolijk van de peer die ik af en toe voor haar meeneem.

Ik moet dankbaar zijn dat ik die laatste tijd nog met haar door mag brengen. Veel mensen is die kans niet gegund. Maar het is moeilijk. Hoe blijf je positief bij iemand die niet meer leven wil? Iemand die je zó na staat. Het is pijnlijk te moeten opmerken hoe slecht je elkaar eigenlijk kent na al die jaren. Er blijkt te veel onbekend, onbesproken, er blijken te veel verschillen, te veel misopvattingen. Ik word geconfronteerd met feiten die ik liever niet had geweten. Ze heeft meer steun aan de verzorgenden, vrijwilligers en de geestelijk verzorger in het hospice dan aan mij. En toch heeft ze me nog nodig.

Iedere dag probeer ik even langs te gaan. Een uurtje, hooguit. Vaak pas aan het eind van de dag – het blijft een logistieke ramp, al woon ik “slechts” een half uurtje verderop. Ik neem haar was mee en noteer haar wensen. Ik praat – zij steeds minder. Vervelende dingen hoort ze liever niet meer. Ik heb dus steeds minder te vertellen – Echtgenoot en ik hebben nu eenmaal een zware tijd achter de rug – en we zijn er nog niet. Ik laat haar de laatste foto’s zien van ons hondje, van m’n ochtendwandelingen en onze avonturen op het strand en roep de Facebookpagina van mijn nicht op. Het Simon’s Cat spelletje op mijn tablet vind ze te ingewikkeld. Maar om de filmpjes kan ze tenminste nog een beetje lachen.

Op sommige dagen is ze verrassend goed. Ze loopt nog verbazend snel achter haar rollator als ze me naar de uitgang begeleidt en meteen haar vaat wegbrengt naar de keuken. Soms heeft ze ineens een terugval. Omdat ze niet op de afgesproken tijd is gewekt, bijvoorbeeld. Iedere afwijking van de routine komt aan als een mokerslag. “De dagen zijn zo lang,” zegt ze. Haar interesse loopt terug – de boeken en DVD’s, die ik “van thuis” heb meegebracht kunnen haar niet een hele dag meer boeien. Eigenlijk wil ze alleen maar slapen. En niet meer wakker worden. Ik houd mezelf – én haar – voor dat haar stemming ook samenhangt met de medicatie, die nog zo lang doorwerkt.

Duimen voor de dood

“Zullen jullie duimen?” vroeg ze een keer terwijl ze mijn handen vasthield, in haar ogen iets van wanhoop. Ik wenste haar mooie dromen voor ik vertrek – wat moet ik anders wensen – en zei dat ik haar morgen zal zien.

Ik voel me verscheurd: ik wil mijn moeder niet kwijt, maar moet haar laten gaan. Elke dag weer ben ik voorbereid op dat ene telefoontje – terwijl het leven gewoon doorgaat.

Dus we duimen. Ik roep onze dierbare overledenen – opa, oma, ooms, tantes, neef, kater, poes, vader, schoonmoeder – iedere avond aan. Kom haar halen. Neem haar mee. En ik, ongelovige, ik bid. Weesgegroetjes, speciaal voor haar. Dat ze vannacht mag slapen. En vandaag haar laatste dag mag zijn.

Deel je mening!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.