Julio Perrenal cover

Haags verteller Jules de Palm tóch beroemd


Jules de Palm. Antilliaan, leraar, Neerlandicus, ambtenaar, auteur én Hagenaar. Mijn vader. Met zijn “uniform”, zijn lange grijze jas en Borsalino hoed, was hij een bekende verschijning in Den Haag. Toen zijn gezichtsvermogen hem in de steek liet konden bewoners van het Statenkwartier hem nog voor zijn deur zijn sigaartje zien roken.

Levensloop

Precies 3 maanden geleden is hij overleden. Hoe vat je een leven van 91 jaar kort en bondig samen? Het is Nicolette van der Werff goed gelukt in haar In Memoriam in het AD over mijn vader, waarvoor mijn moeder en ik kort na zijn dood zijn geïnterviewd. Behalve zijn loopbaan kwamen er nog veel andere onderwerpen aan de orde, die we maar hebben besloten ongepubliceerd te laten.

Behalve leraar, ambtenaar en auteur was Jules de Palm ook echtgenoot en vader. Op beide rollen hebben mijn moeder en ik het nodige aan te merken, maar van de doden niets dan goeds. Ik heb mijn vader trouwens beloofd alleen de goede dingen te onthouden en de rest maar te vergeten. Sommige dingen blijven nu eenmaal onuitgesproken.

Geboren op Curaçao, onderricht door de fraters (over die periode schreef hij het boek “Kinderen van de fraters”) had mijn vader een roeping: hij wilde leraar worden. Als “invalleraar” deed hij op de Antillen al de nodige ervaring op. Maar hij wilde Nederlands studeren en in Nederland lesgeven. Dus kwam hij, ruim 65 jaar geleden, naar Nederland om aan de Leidse Universiteit te studeren. Hij promoveerde in 1969 op het proefschrift “Het Nederlands op de Curaçaose school”. Eenmaal in Nederland bleken de Antilliaanse banden sterk genoeg om hem een aanstelling te bezorgen bij het Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen, dat hij alleen met een secretaresse runde. Het bureau verzorgde de opvang van Curaçaose jongeren met een studiebeurs, die in Nederland kwamen studeren.

Ik kan me de hectiek nog herinneren, op één van die dagen dat er een nieuwe lichting studenten arriveerde. Ik was er een keer bij, toen ze werden opgevangen in het Gouden Wieken hotel, aan de Ooststraat in Scheveningen. Alles moesten voor de studenten worden geregeld, van huisvesting tot toelating tot de studies van hun keuzes in het hele land. Dat was veel geregel – en destijds was er nog geen internet!

Daarnaast fungeerde mijn vader als een ware biechtvader, steun en toeverlaat voor al die Curaçaose studenten en hun problemen, groot of klein. Mijn vader slaagde er daarbij in, tussen de Nederlandse en Curaçacose cultuur te laveren om zo alle partijen tevreden te stellen. Een onuitputtelijke bron van verhalen en anekdotes. Tot zijn pensioen heeft hij voor het bureau gewerkt. Vervolgens werd hij gevraagd de redactie van de eerste Encyclopedie van de Nederlandse Antillen op zich te nemen. Toen deze Herculustaak erop zat, kon hij zich op zijn memoires storten. Zijn eerste boek – dat aan mij is opgedragen – was de verhalenbundel “Antiya”. Uit een samenwerking met zijn vrienden Pierre Lauffer, René de Rooy en de onlangs overleden musicus Julian Coco ontstond de liedjesbundel “Julio Perrenal”.

Haagse wandelingen 

In de tuin van het Gemeentemuseum, april 1974

Mijn vader was een wandelaar, die hield van zijn stad. Onze zondagse traditie was een wandeling door de tuin van het Gemeentemuseum. Een traditie die voor mij een beetje vervelende wending kreeg toen mijn vader het idee had opgevat mijn rekenen te trainen door me in rap tempo sommen op te geven aan de hand van kentekenplaten. “Vijf keer vier! Zes keer acht! Vierentwintig gedeeld door vier!” Als oud-leraar – hij had nog op het Johan de Witt college voor de klas gestaan – kon hij het niet laten. Maar voor mij werden die anders zo ontspannen wandelingen daarmee een heel stuk stressvoller. Want naarmate ik ouder werd, werden ook de sommen moeilijker – en rekenen was nooit mijn sterkste kant.

Ik was altijd onder de indruk van zijn stratenkennis. Hij kende de meeste buurten in Den Haag op zijn duimpje en maakte er een punt van, mij de belangrijkste gebouwen te laten zien. Een bezoek aan het Vredespaleis hoorde bij mijn algemene ontwikkeling, vond hij. Maar we waren ook samen regelmatig op Scheveningen te vinden. Nee, hij was niet de actieve “Brio-vader” die ik had gewenst, waarmee je samen over het strand kon rennen. Al had hij in zijn prille jeugd wel eens tegen een voetbal geschopt en verplaatste hij zich in zijn eerste jaren in Nederland nog wel eens op de fiets, sportiviteit was niet iets wat je hem kon toeschrijven. Maar verhalen vertellen, dat kon hij als de beste. Hij kende de historie van elke belangrijke Haagse plek, zoals het Kurhaus. Mijn eerste bezoek aan de – toen nog indrukwekkende – Pier deed ik aan mijn vaders hand. Gek als ik was op musea, nam hij me mee naar Het Mauritshuis (waar ik niet was weg te slaan bij de “Stier van Potter”), het Gemeentemuseum, het “Schoolmuseum” (het tegenwoordige Museon) en Panorama Mesdag.

Zijn werk voor de culturele stichting StiCuSa bracht hem regelmatig naar de hoofdstad en zijn werk voor het C.B.T.C.B. naar de Antillen, maar hij voelde zich thuis in Den Haag. Omdat hij meestal over de Frederik Hendriklaan naar zijn kantoor op het Frederik Hendrikplein liep, kende hij daar alle winkeliers. Hij mocht graag “de lunch gebruiken” met een kroketje van de snackbar op het plein en bij de bloemenstal, die ooit vóór Waaijer de Slager stond, kocht hij bloemen voor mijn moeder (waarop de verkoper steevast vroeg “Hebbie wat goed te makûh?”).

Taxi

We hadden zelf geen auto (mijn vader huurde eens per jaar een auto, waarmee we in Nederland op vakantie gingen) en mijn vader gaf de voorkeur aan reizen per taxi. Veel Haagse taxichauffeurs weten kleurrijke verhalen te vertellen over hun ritjes met mijn vader, zelf de eeuwige verteller. Thuis kon hij wel eens klagen dat hij er “geen speld tussen had gekregen”, maar wij wisten wel beter. Hoe kwamen al die chauffeurs anders aan hun verhalen? Veel van die “oudgedienden” wisten ook wel wie ik was. Kennelijk stond ik voor het raam van ons oude huis aan de Valkenboslaan om mijn vader uit te zwaaien. Ik was te jong om me dat te kunnen herinneren. We hebben er ook niet lang gewoond. Toen ik één jaar was, kochten mijn ouders het huis in de Van Beverningkstraat. Als ik later zelf een taxi nam en het bekende adres in het Statenkwartier noemde, hoefde ik vaak het nummer niet eens uit te spreken, bekend als het was bij de taxicentrale.

Hotels

Ook in Haagse hotels was mijn vader een graag geziene gast. Hij had een voorliefde voor hotellobby’s. Daar kon hij immers – vóór de anti-rookwetgeving – op zijn gemak zijn sigaartje roken, met zijn (meestal Antilliaanse) kennissen afspreken en, natuurlijk, “de lunch gebruiken”. In het Bel Air Hotel, het Europa Hotel en Hotel Centraal kon je hem tussen zijn werkzaamheden door regelmatig tegenkomen. Het personeel in die hotels kende zijn voorkeuren – waar hij zelden van afweek.

Lekker warm, lekker bruin

Toen mijn vader net in Nederland was, vond hij onderdak bij mijn oudtante Bep, de tante van mijn moeder. Zij had een paar pandjes in de Teylerstraat en was zijn hospita. Het was daar dat hij later mijn moeder zou ontmoeten, tijdens een bezoek aan haar tante. Als één van de eerste “gekleurde” mensen trok hij veel bekijks in het Haagse Regentessekwartier, maar hij heeft nooit last gehad van discriminatie. Het waren andere tijden. Wèl had hij in eerste instantie wat moeite met de voor hem zo nieuwe Hollandse cultuur. Zijn tijd in de Teylerstraat vormde de inspiratie voor zijn boek “Lekker warm, lekker bruin”, waarin hij met de nodige kwinkslagen verhaalt over de cultuurverschillen, die hij heeft geconstateerd. Toen destijds de discussies over integratie van onze medelanders oplaaiden, nam hij stelling in. “Volledige integratie is niet mogelijk”, beweerde hij altijd stellig. Hij heeft gelijk gekregen.

Blind

Mijn vaders toch al beperkte gezichtsvermogen liep een fatale klap op door het loslaten van het netvlies in één oog. Na een mislukte operatie had hij nauwelijks meer zicht in dat oog. In het andere ontwikkelde hij staar, waar natuurlijk best iets aan te doen was geweest, ware het niet dat hij door zijn enige ziekenhuisbezoek in zijn leven de schrik flink te pakken had en weigerde zich te laten behandelen. Maar voor een man wiens leven draait om lezen en schrijven was zijn blindheid een gevoelige klap. Hij was er ook de man niet naar, om naar hulpmiddelen te grijpen. Liever berustte hij in zijn lot en koesterde de vele herinneringen in zijn fotografisch geheugen. Zo zag hij ook zijn geliefde stad niet veranderen. Toen ik na mijn secretaresse-opleiding aan het werk ging, reisde ik met het openbaar vervoer of op de fiets de hele stad door, van de ene uitzendbaan naar de andere. Ik vertelde hem dan wat er allemaal veranderde in onze geliefde stad. Dat de Teylerstraat plaats moest maken voor een hele nieuwe wijk, deed hem wel verdriet. Mijn oudtante had haar oude, onverwarmde huisje toen al lang en breed ingeruild voor een comfortabele kamer in het Jonker Frans Verzorgingstehuis aan het Newtonplein. Toen mijn werk me later buiten de stad bracht, beschreef ik hem de herinrichting van de Schilderswijk, de Haagse Poort, de Hubertustunnel, alle vernieuwingen en verbeteringen. Er is in die ruim 30 jaar veel veranderd in Den Haag. Hij heeft de geleidelijke bouw van onze Haagse skyline niet meer meegekregen. Gelukkig veranderde er weinig in de Van Beverningkstraat, de spil waarom zijn leven draaide.

Julius Philip de Palm, 1922 – 2013

Beroemd

“Wereldberoemd op Curaçao”, merkte mijn moeder wel eens op. Echte roem is mijn vader nooit ten deel gevallen. Het zal ook niet hebben geholpen dat hij een uitnodiging om bij Sonja Barend te komen praten, heeft afgeslagen… Voor zijn jarenlange werk voor het C.B.T.C.B. viel hem een koninklijke onderscheiding ten deel, maar zijn boeken werden nooit zo succesvol als die van bijvoorbeeld Kees van Kooten. Dat stak hem wel een beetje. Toen ik hem vertelde, dat zijn oevre nu gedigitaliseerd op dbnl staat en hij hoger scoort op Google dan zijn dochter, zag ik wel even een glimlach. Zijn laatste werk blijft onvoltooid. Ik heb er nog een paar hoofdstukken van uitgetypt en hem aangeboden mij te dicteren. Maar dat was niet zijn manier van schrijven, daar kon hij niet mee uit de voeten. En toen ik hem die hoofdstukken voorlas, waren we het er over eens dat ze niet zo goed waren als zijn eerdere werk.

Jules de Palm, Antilliaans/Haags verteller, overleed op 30 september 2013 in het Zorgcentrum Bosch & Duin op 91-jarige leeftijd. Zijn foto kwam niet voorbij in het Jaaroverzicht van de NOS, tussen Nelson Mandela en Peter O’Toole in, maar hij domineert – ondanks zijn afkeer van moderne techniek – nog steeds in de zoekresultaten op Google.

Toch nog eeuwige roem.

 

Deze blog is op 31 december 2013 eerst gepubliceerd op Den Haag Direct.

Deel je mening!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s